
Een godheid, die in verschillende opzichten eenen allerbelangrijksten invloed op het leven, denken en werken der Grieken heeft uitgeoefend. Hij is een god, wiens gebied zich over een zeer ruim veld uitstrekt. In de eerste plaats werd hij vereerd als de god van den wijn, doch de wijn is slechts de kostelijkste zijner gaven. Hij beteekent de groeikracht der aarde, zooals die zich in bosch en veld, op met bronnen bedekte bergen, in vruchtdragende boomen en in grazige weiden openbaart.

De wijndruif is alleen daarom de vrucht, die hem bijzonder geheiligd is, omdat zij, hoezeer uit vocht geboren, een warmen gloed aan hare vruchten weet te geven en de mengeling van zwakheid en moed, van weelderigheid en kracht, waarvan de druif het symbool is, geheel en al weder wordt aangetroffen in het karakter van Dionysos.
Doch ook alle boomen en alle boomvruchten stonden onder zijne bijzondere hoede. Daarom waren hem alle vochtige plaatsen geheiligd, voornamelijk die, waar de vruchtbaarheid van den bodem het gevolg dier vochtigheid was.
Vele bronnen waren hem geheiligd, hij kon ook òf zelf òf door zijne dienaressen bronnen doen stroomen uit rotsen, waartegen met den thyrsosstaf werd geslagen, bronnen, niet alleen van water, maar ook van wijn, melk en honing.
